vrijdag 16 januari 2009

Loodzware symboliek doet dit boek zinken

Nuruddin Farah,
Maps (Somalië 1986)

Roman, 259 pp.
16 januari 2009

De eerste pagina van deze Somalische roman sloeg bij mij meteen in als een bom: wat een mooie raadselachtige beelden, wat een rijke poëtische taal! Ik wist onmiddellijk: hier is een begaafde dichter aan het werk. En helaas is dat meteen het probleem, want Maps is nu eenmaal geen gedicht maar een roman van 259 bladzijden.

Een gedicht bestaat uit geconcentreerde taal, die rijke beelden en complexe associaties oproept. Dat werkt voor enkele pagina's, maar niet voor een volledige roman. Farah wil, met andere woorden, veel teveel in dit boek. En het had zo mooi kunnen zijn, want Farah heeft belangwekkende dingen te vertellen. Zijn verhaal is dat van de weesjongen Askar, wiens vader is gesneuveld in de strijd tegen de Ethiopiërs om de Ogaden en wiens moeder stierf terwijl ze hem het leven schonk. Askar wordt liefdevol grootgebracht door Misra, een buitenstaander met lage status, en etnisch Ethiopische. Hun band is zo sterk, dat Askar zich een onderdeel van Misra's lichaam waant; hij noemt Misra zijn kosmos. Maar als Askar 7 is, breekt de Ogadenoorlog uit en wordt hij naar zijn oom en tante in Mogadisciu gestuurd, moderne intellectuelen zonder kinderen, die van Askar houden als van een eigen zoon. Dan, tien jaar later, duikt Misra onverwacht op in Mogadisciu en blijkt er iets gebeurd te zijn waardoor Askar behoorlijk de kluts kwijt raakt.

Askar worstelt het hele boek door met zijn identiteit, met schuld, met etniciteit en met loyaliteit. De kaarten uit de titel symboliseren het conflict over de Ogaden: volgens de kaart deel van Ethiopië, maar volgens de Somaliërs deel van hún land. Askars worsteling wordt ook uitgedrukt door een wisselend perspectief. Elk hoofdstuk verspringt in het gebruik van zijn persoonlijke voornaamwoorden: Askar is afwisselend "jij", " hij" en "ik". Zijn dromen, die veelvuldig en gedetailleerd worden beschreven, geven dezelfde verwarring weer - althans dat sterke vermoeden heb ik, want doordat de beschrijvingen zo stampvol met beelden en symbolen zitten, is het moeilijk om er echt uit op te maken wat de schrijver met elke droom precies wil zeggen.

Het hele boek is dichtgeschreven met symbolen en beelden en stijlmiddelen. Er is een obsessie met bloed (vooral het menstruatiebloed van Misra), er zijn steeds maar weer verminkende operaties en afgehakte lichaamsdelen, en wat me ook stoorde, is dat de schrijver een jongetje van nog geen 8 laat peinzen over existentiële zaken als etniciteit, het verband tussen leven en dood. Neem dit gesprek tussen Misra en de kleine Askar:

"I will kill you." [Aldus Askar tegen Misra]
She stared at him in silence for a long time. "But why?"
"To live, I will have to kill you."
"Just like you say you killed your mother?"
"Just like I killed my mother -- to live."
(p. 59)
Ik vind het volstrekt ongeloofwaardig dat een kind van hooguit 7 zoiets complex bedenkt, laat staan zegt.

Het effect van de overdaad aan stijlmiddelen en abstractie is een enorme afstand tussen enerzijds de lezer en anderzijds de personages en gebeurtenissen in het boek. De veel te nadrukkelijke en alom aanwezige symboliek creëert zo'n ondoordringbaar geheel dat niks je echt raakt als lezer en dat het - ondanks de verdiensten die Maps wel degelijk heeft - een worsteling wordt om het boek uit te krijgen.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen