Ik merk dat ik de laatste maanden niet in de stemming ben voor al te zware leeskost. Gek, hè? Het leven is momenteel al zwaar genoeg, zelfs als je werk lekker doorgaat, je in een ruim huis met thuis woont, in een prachtige provincie met relatief weinig coronagevallen en veel ruimte om in alle rust te wandelen en te fietsen. Het zijn moeilijk en deprimerende tijden, voor iedereen. Normaal gesproken was ik deze maand op reis geweest naar de Azoren, maar dat ging natuurlijk niet door. Dan moet je dus iets anders. Gelukkig had ik nog niet zo lang geleden twee hele leuke memoires cadeau gekregen waarmee ik er even fijn tussen uit kon. Twee totaal verschillende boeken, maar allebei charmant, prettig lichtvoetig én interessant genoeg om de aandacht moeiteloos vast te houden.
Posts tonen met het label archeologie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label archeologie. Alle posts tonen
donderdag 21 mei 2020
zondag 7 januari 2018
Hoe een onmogelijke puzzel opgelost werd
Margalit Fox,
The Riddle of the Labyrinth:
The Quest to Crack an Ancient Code (VS 2013).
Geschiedenis, taalkunde, 384 pp.
Niet vertaald.
Negentiende-eeuwse historici namen over het algemeen aan dat de Griekse geschiedenis begon in 776 vChr., met de eerste bekende Olympische Spelen. Vóór die datum was sprake van een lange periode van duisternis waarover weinig bekend was. Een ontdekking op Kreta door de Engelse archeoloog Arthur Evans rond 1900 bracht daar verandering in: in het paleizencomplex van Knossos ontdekte hij een enorme stapel kleitabletten (zo'n 3.000) uit circa 1.400 vChr. met daarop uitgebreide teksten. De kleitabletten waren door een noodlottig maar voor ons fortuinlijk toeval bewaard gebleven doordat ze in een grote verwoestende brand per ongeluk gebakken en vereeuwigd waren, in plaats van dat ze - zoals gebruikelijk - verpulverd werden. De teksten konden een schat aan informatie over deze onbekende beschaving opleveren, ware het niet dat er sprake was van een klein probleempje: niemand kende het schrift waarin ze geschreven waren en niemand had zelfs maar enig idee van de taal waarin de teksten waren opgesteld. Phoenicisch, Etruskisch, Hittitisch, nog iets anders? Geen mens die het wist.
The Riddle of the Labyrinth:
The Quest to Crack an Ancient Code (VS 2013).
Geschiedenis, taalkunde, 384 pp.
Niet vertaald.
Negentiende-eeuwse historici namen over het algemeen aan dat de Griekse geschiedenis begon in 776 vChr., met de eerste bekende Olympische Spelen. Vóór die datum was sprake van een lange periode van duisternis waarover weinig bekend was. Een ontdekking op Kreta door de Engelse archeoloog Arthur Evans rond 1900 bracht daar verandering in: in het paleizencomplex van Knossos ontdekte hij een enorme stapel kleitabletten (zo'n 3.000) uit circa 1.400 vChr. met daarop uitgebreide teksten. De kleitabletten waren door een noodlottig maar voor ons fortuinlijk toeval bewaard gebleven doordat ze in een grote verwoestende brand per ongeluk gebakken en vereeuwigd waren, in plaats van dat ze - zoals gebruikelijk - verpulverd werden. De teksten konden een schat aan informatie over deze onbekende beschaving opleveren, ware het niet dat er sprake was van een klein probleempje: niemand kende het schrift waarin ze geschreven waren en niemand had zelfs maar enig idee van de taal waarin de teksten waren opgesteld. Phoenicisch, Etruskisch, Hittitisch, nog iets anders? Geen mens die het wist.
zaterdag 5 december 2015
De denkwereld van de prehistorische mens
Colin Renfrew,
Prehistory: The Making of the Human Mind (GB 2007)
Archeologie, geschiedenis, 248 pp.
Geen Nederlandse vertaling verkrijgbaar
Colin Renfrew is al jaren een vooraanstaand archeoloog die veel toegankelijke en succesvolle boeken voor niet-vakgenoten heeft geschreven. Het eerste boek dat ik van hem las, Before Civilization: The Radiocarbon Revolution and Prehistoric Europe (1973), vertelde hoe radicaal de prehistorie moest worden herschreven toen het dankzij de C14-methode mogelijk werd om prehistorische overblijfselen te dateren, en hoe de hele manier van het interpreteren van de prehistorie over de kop moest.
De barbaren van Europa
Het dogma was namelijk altijd geweest dat de piramides in Egypte veel ouder waren dan megalithische bouwwerken als Stonehenge en de tempels van Malta. De onderliggende gedachte daarbij was dat de beschaving in het Midden-Oosten was uitgevonden en vandaar naar de barbaren in Europa gebracht. Daar bleek niets van te kloppen. Toen de Egyptenaren begonnen met hun piramides waren de tempels van Malta al oud en Stonehenge stond er ook allang. Dit bracht een aardverschuiving in het denken teweeg. Prehistorici realiseerden zich door deze nieuwe informatie pas echt goed dat beschaving door verschillende volkeren onafhankelijk van elkaar kon worden "uitgevonden" (ook al zijn er nog steeds idioten die bijvoorbeeld beweren dat de Maya-piramides in Mexico geïnspireerd zijn door die van Egypte, kennelijk vanuit de gedachte dat de oorspronkelijk Amerikanen te achterlijk waren om zelf zulke bouwwerken te ontwikkelen). Renfrew schreef in Before Civilization een helder en boeiend betoog over hoe die paradigma-verschuiving plaats vond.
Prehistory: The Making of the Human Mind (GB 2007)
Archeologie, geschiedenis, 248 pp.
Geen Nederlandse vertaling verkrijgbaar
Colin Renfrew is al jaren een vooraanstaand archeoloog die veel toegankelijke en succesvolle boeken voor niet-vakgenoten heeft geschreven. Het eerste boek dat ik van hem las, Before Civilization: The Radiocarbon Revolution and Prehistoric Europe (1973), vertelde hoe radicaal de prehistorie moest worden herschreven toen het dankzij de C14-methode mogelijk werd om prehistorische overblijfselen te dateren, en hoe de hele manier van het interpreteren van de prehistorie over de kop moest.
De barbaren van Europa
Het dogma was namelijk altijd geweest dat de piramides in Egypte veel ouder waren dan megalithische bouwwerken als Stonehenge en de tempels van Malta. De onderliggende gedachte daarbij was dat de beschaving in het Midden-Oosten was uitgevonden en vandaar naar de barbaren in Europa gebracht. Daar bleek niets van te kloppen. Toen de Egyptenaren begonnen met hun piramides waren de tempels van Malta al oud en Stonehenge stond er ook allang. Dit bracht een aardverschuiving in het denken teweeg. Prehistorici realiseerden zich door deze nieuwe informatie pas echt goed dat beschaving door verschillende volkeren onafhankelijk van elkaar kon worden "uitgevonden" (ook al zijn er nog steeds idioten die bijvoorbeeld beweren dat de Maya-piramides in Mexico geïnspireerd zijn door die van Egypte, kennelijk vanuit de gedachte dat de oorspronkelijk Amerikanen te achterlijk waren om zelf zulke bouwwerken te ontwikkelen). Renfrew schreef in Before Civilization een helder en boeiend betoog over hoe die paradigma-verschuiving plaats vond.
zondag 6 januari 2013
Het hoge noorden en het verre westen
Nancy Marie Brown,
The Far Traveller: Voyages of a Viking Woman (VS 2007)
Geschiedenis, 265 pp.
ISBN 9780156033979, Harvest
Als puber was ik al redelijk snel uitgekeken op de geijkte meisjesboeken en damesromannetjes (saai, zoetsappig en voorspelbaar) en stapte ik resoluut over op boeken waarin avonturen werden beleefd en verre reizen werden gemaakt. Karl May vond ik het einde: avonturen, verre oorden én Indianen, wat wilde een mens nog meer. De Indianen van Karl May waren van de geromantiseerde noble savage-soort, maar op die leeftijd mag je nog dromen. Door die Indianen moet ik ook bij het jeugdboek uitgekomen zijn dat op circa dertienjarige leeftijd zo'n indruk op mij maakte. Titel of auteur kan ik me met geen mogelijkheid meer herinneren, details zijn ook volledig weggezakt, maar de hoofdmoot weet ik nog heel goed: in het Canada van de achttiende eeuw wordt een Indianenstam ontdekt met onder meer leden die er uitzien alsof ze van blanke afkomst zijn, terwijl ze toch al sinds mensenheugenis deel uitmaken van de stam. Raadsel! Het mysterie wordt opgelost door vele eeuwen terug in de geschiedenis en ver naar het hoge Noorden te gaan.
The Far Traveller: Voyages of a Viking Woman (VS 2007)
Geschiedenis, 265 pp.
ISBN 9780156033979, Harvest
Als puber was ik al redelijk snel uitgekeken op de geijkte meisjesboeken en damesromannetjes (saai, zoetsappig en voorspelbaar) en stapte ik resoluut over op boeken waarin avonturen werden beleefd en verre reizen werden gemaakt. Karl May vond ik het einde: avonturen, verre oorden én Indianen, wat wilde een mens nog meer. De Indianen van Karl May waren van de geromantiseerde noble savage-soort, maar op die leeftijd mag je nog dromen. Door die Indianen moet ik ook bij het jeugdboek uitgekomen zijn dat op circa dertienjarige leeftijd zo'n indruk op mij maakte. Titel of auteur kan ik me met geen mogelijkheid meer herinneren, details zijn ook volledig weggezakt, maar de hoofdmoot weet ik nog heel goed: in het Canada van de achttiende eeuw wordt een Indianenstam ontdekt met onder meer leden die er uitzien alsof ze van blanke afkomst zijn, terwijl ze toch al sinds mensenheugenis deel uitmaken van de stam. Raadsel! Het mysterie wordt opgelost door vele eeuwen terug in de geschiedenis en ver naar het hoge Noorden te gaan.
maandag 6 december 2010
Van jager naar boer
Louis Beyens, De graangodin: Het ontstaan van de landbouw (België 2004)
Geschiedenis, 316 pp.
Nee, ik heb geen agrarische achtergrond en ik heb ook geen speciale belangstelling voor het boerenbedrijf, maar ik ben wel buitengemeen geïnteresseerd in wat waarschijnlijk de allergrootste overgang is die de mensheid ooit heeft gemaakt: die van nomadische (of halfnomadische) jager-verzamelaar naar sedentaire landbouwer en veehouder. Zoals Beyens (hoogleraar biologie in Antwerpen) waarschijnlijk terecht stelt, is er geen enkele ontwikkeling in de geschiedenis van de mensheid die zulke vérstrekkende gevolgen heeft gehad. Goede én verwoestende.
Tot een jaar of elfduizend geleden scharrelden alle mensen hun kostje bij elkaar door middel van de jacht en de visvangst en (bepaald niet onbelangrijk) door het verzamelen van eetbare planten, waaronder de zaden van allerlei wilde grassen. Ze woonden niet de hele tijd op één plaats, maar volgden bijvoorbeeld de kuddes waarop ze joegen. Op een gegeven moment begonnen ze echter, in met name het Midden-Oosten, meer of minder permanente hutjes te bouwen, vooral op plekken waar meerdere vegetatiezones in elkaar overgingen en er een grote verscheidenheid aan voedsel was. Wat uiteindelijk de doorslag gaf om op één plek te blijven en de wilde grassen voortaan te zaaien is niet met zekerheid te achterhalen, maar waarschijnlijk hadden klimaatveranderingen aan het einde van de ijstijd daarmee te maken.
Geschiedenis, 316 pp.
Nee, ik heb geen agrarische achtergrond en ik heb ook geen speciale belangstelling voor het boerenbedrijf, maar ik ben wel buitengemeen geïnteresseerd in wat waarschijnlijk de allergrootste overgang is die de mensheid ooit heeft gemaakt: die van nomadische (of halfnomadische) jager-verzamelaar naar sedentaire landbouwer en veehouder. Zoals Beyens (hoogleraar biologie in Antwerpen) waarschijnlijk terecht stelt, is er geen enkele ontwikkeling in de geschiedenis van de mensheid die zulke vérstrekkende gevolgen heeft gehad. Goede én verwoestende.
Tot een jaar of elfduizend geleden scharrelden alle mensen hun kostje bij elkaar door middel van de jacht en de visvangst en (bepaald niet onbelangrijk) door het verzamelen van eetbare planten, waaronder de zaden van allerlei wilde grassen. Ze woonden niet de hele tijd op één plaats, maar volgden bijvoorbeeld de kuddes waarop ze joegen. Op een gegeven moment begonnen ze echter, in met name het Midden-Oosten, meer of minder permanente hutjes te bouwen, vooral op plekken waar meerdere vegetatiezones in elkaar overgingen en er een grote verscheidenheid aan voedsel was. Wat uiteindelijk de doorslag gaf om op één plek te blijven en de wilde grassen voortaan te zaaien is niet met zekerheid te achterhalen, maar waarschijnlijk hadden klimaatveranderingen aan het einde van de ijstijd daarmee te maken.
vrijdag 23 oktober 2009
Sombere geheimen in Sparta
Tobias Hill,
The Hidden (GB 2009)
Roman, 452 pp.
Nederlandse titel: Het verborgene
Ik had echt zin in dit boek. Hills eerdere roman, The Love of Stones, had ik met veel plezier gelezen en de opvolger, The Cryptographer, vond ik nog beter. Voeg daarbij dat de The Hidden zich afspeelt rond een archeologische opgraving en succes was voor mij al bijna gegarandeerd. Maar helaas, het leven zit nu eenmaal vol kleine teleurstellinkjes en dit was er een van.
Ik heb drie problemen met dit boek. De eerste is de hoofdpersoon. Ben Mercer is een jonge Britse archeoloog die naar Griekenland vlucht na een ellendige scheiding. Hij neemt het eerste het beste baantje dat hij kan krijgen en belandt zo in een deprimerende grilltent in een buitenwijk van Athene. Daar krijgt hij tot zijn verbazing op een dag een vroegere collega als klant, die hem met tegenzin vertelt dat hij in Griekenland is vanwege een opgraving in Sparta. Sparta! Daar wil Ben ook wel heen, maar Eberhard zegt dat ze niemand meer nodig hebben. Ben weet echter via-via toch aangenomen te worden en wordt met open armen ontvangen door de leidinggevende, maar niet door Eberhard en zijn vrienden. Ben wil echter wanhopig graag door hen geaccepteerd worden en wurmt zich in allerlei bochten om dat voor elkaar te krijgen.
The Hidden (GB 2009)
Roman, 452 pp.
Nederlandse titel: Het verborgene
Ik had echt zin in dit boek. Hills eerdere roman, The Love of Stones, had ik met veel plezier gelezen en de opvolger, The Cryptographer, vond ik nog beter. Voeg daarbij dat de The Hidden zich afspeelt rond een archeologische opgraving en succes was voor mij al bijna gegarandeerd. Maar helaas, het leven zit nu eenmaal vol kleine teleurstellinkjes en dit was er een van.
Ik heb drie problemen met dit boek. De eerste is de hoofdpersoon. Ben Mercer is een jonge Britse archeoloog die naar Griekenland vlucht na een ellendige scheiding. Hij neemt het eerste het beste baantje dat hij kan krijgen en belandt zo in een deprimerende grilltent in een buitenwijk van Athene. Daar krijgt hij tot zijn verbazing op een dag een vroegere collega als klant, die hem met tegenzin vertelt dat hij in Griekenland is vanwege een opgraving in Sparta. Sparta! Daar wil Ben ook wel heen, maar Eberhard zegt dat ze niemand meer nodig hebben. Ben weet echter via-via toch aangenomen te worden en wordt met open armen ontvangen door de leidinggevende, maar niet door Eberhard en zijn vrienden. Ben wil echter wanhopig graag door hen geaccepteerd worden en wurmt zich in allerlei bochten om dat voor elkaar te krijgen.
zaterdag 10 oktober 2009
Een nieuwe kijk op de Donkere Middeleeuwen
Peter S. Wells,
Barbarians to Angels (VS 2008)
Geschiedenis, archeologie, 202 pp.
Niet in het Nederlands verkrijgbaar
Het clichébeeld van de vroege middeleeuwen is zo'n beetje dit: in het jaar 410, bij de inname van de Rome door Gothische barbaren, ging het licht uit en pas vierhonder jaar later, met de komst van Karel de Grote, begon er weer een kaarsje te flakkeren. Daartussen had je de Donkere Middeleeuwen waarin heel Europa tot barbarij verviel. Archeoloog Peter S. Wells, waarvan ik al eerder een paar hele aardige boeken heb gelezen, probeert hier aan te tonen dat het allemaal wel wat meeviel.
Het historische materiaal ondersteunt overigens wel degelijk het idee dat de periode van circa 400 tot 800 er één van ernstig verval was. Geschriften worden bijzonder schaars in deze tijd en in veel ervan wordt geweeklaagd over invallen van Germaanse stammen en Hunnen. Maar er is de laatste decennia ook veel archeologisch materiaal beschikbaar gekomen en dat laat toch een wat ander beeld zien. Wells concentreert zich daarbij op noordwest-Europa, het gebied dat in de latere middeleeuwen zo dominant en welvarend zou worden. Het was hier dat in de besproken periode een nieuwe dynamische cultuur ontstond, die geleidelijk uitmondde in de Carolingische Renaissance van rond 800. Ook wel logisch dat er veel meer was dan alleen barbarij, want een culturele opleving komt nooit zomaar uit de lucht vallen.
Barbarians to Angels (VS 2008)
Geschiedenis, archeologie, 202 pp.
Niet in het Nederlands verkrijgbaar
Het clichébeeld van de vroege middeleeuwen is zo'n beetje dit: in het jaar 410, bij de inname van de Rome door Gothische barbaren, ging het licht uit en pas vierhonder jaar later, met de komst van Karel de Grote, begon er weer een kaarsje te flakkeren. Daartussen had je de Donkere Middeleeuwen waarin heel Europa tot barbarij verviel. Archeoloog Peter S. Wells, waarvan ik al eerder een paar hele aardige boeken heb gelezen, probeert hier aan te tonen dat het allemaal wel wat meeviel.
Het historische materiaal ondersteunt overigens wel degelijk het idee dat de periode van circa 400 tot 800 er één van ernstig verval was. Geschriften worden bijzonder schaars in deze tijd en in veel ervan wordt geweeklaagd over invallen van Germaanse stammen en Hunnen. Maar er is de laatste decennia ook veel archeologisch materiaal beschikbaar gekomen en dat laat toch een wat ander beeld zien. Wells concentreert zich daarbij op noordwest-Europa, het gebied dat in de latere middeleeuwen zo dominant en welvarend zou worden. Het was hier dat in de besproken periode een nieuwe dynamische cultuur ontstond, die geleidelijk uitmondde in de Carolingische Renaissance van rond 800. Ook wel logisch dat er veel meer was dan alleen barbarij, want een culturele opleving komt nooit zomaar uit de lucht vallen.
zondag 10 mei 2009
Goud uit de modder
John Preston,
The Dig (GB 2007)
Roman, 231 pp.
Niet in het Nederlands vertaald
Iedereen weet van de spectaculaire opgraving van het graf van Toetankhamon, maar de even interessante opgraving in het Engelse Sutton Hoo is buiten Engeland nauwelijks bekend, terwijl daar schitterende vondsten werden gedaan, die de geschiedenis van de vroegste middeleeuwen in Noordwest-Europa een heel ander gezicht gaven. Over deze opgraving gaat deze roman, alleen draait het daarbij niet in de eerste plaats om de vondsten, maar vooral over de interacties tussen de mensen die bij de opgraving waren betrokken en, in een diepere laag, over de vluchtigheid van het bestaan.
Preston vertelt het verhaal vanuit verschillende gezichtspunten: dat van de landeigenaar, de weduw Edith Pretty, van de plaatselijke autodidact en opgraver Basil Brown en van de pasgetrouwde jonge archeoloog Peggy Piggott - de tante van de schrijver. De personages worden door middel van korte schetsjes neergezet, met daarnaast hints die de aandachtige lezer allerlei extra's vertellen. Preston suggereert meer dan hij expliciet vertelt, net zoals ook in de onderhuidse spanningen tussen de verschillende archeologen niets hardop wordt gezegd. In de eerste helft van het boek wordt met weinig middelen een tamelijk onopvallende melodielijn uitgezet, in de tweede helft wordt die met fijne, veelzeggende nootjes verder ingevuld en uitgewerkt.
The Dig (GB 2007)
Roman, 231 pp.
Niet in het Nederlands vertaald
Iedereen weet van de spectaculaire opgraving van het graf van Toetankhamon, maar de even interessante opgraving in het Engelse Sutton Hoo is buiten Engeland nauwelijks bekend, terwijl daar schitterende vondsten werden gedaan, die de geschiedenis van de vroegste middeleeuwen in Noordwest-Europa een heel ander gezicht gaven. Over deze opgraving gaat deze roman, alleen draait het daarbij niet in de eerste plaats om de vondsten, maar vooral over de interacties tussen de mensen die bij de opgraving waren betrokken en, in een diepere laag, over de vluchtigheid van het bestaan.
Preston vertelt het verhaal vanuit verschillende gezichtspunten: dat van de landeigenaar, de weduw Edith Pretty, van de plaatselijke autodidact en opgraver Basil Brown en van de pasgetrouwde jonge archeoloog Peggy Piggott - de tante van de schrijver. De personages worden door middel van korte schetsjes neergezet, met daarnaast hints die de aandachtige lezer allerlei extra's vertellen. Preston suggereert meer dan hij expliciet vertelt, net zoals ook in de onderhuidse spanningen tussen de verschillende archeologen niets hardop wordt gezegd. In de eerste helft van het boek wordt met weinig middelen een tamelijk onopvallende melodielijn uitgezet, in de tweede helft wordt die met fijne, veelzeggende nootjes verder ingevuld en uitgewerkt.
zondag 29 maart 2009
Wat paarden met onze taal te maken hebben
David W. Anthony, The Horse, the Wheel and Language: How Bronze-Age Riders from the Eurasian Steppes Shaped the Modern World (VS 2008)
Archeologie en historische taalkunde, 477 pp.
Niet in het Nederlands vertaald
In de 18de eeuw ontdekte een Engelse rechter in India tot zijn stomme verbazing dat het 'geciviliseerde' Engels, Latijn en Grieks alle verwant waren met het Sanskriet van de 'primitieve' Indiërs. Inmiddels weten we daardoor dat bijna alle Europese talen en diverse Aziatische ooit allemaal een gemeenschappelijke voorouder gehad moeten hebben, het Indo-Europees. Sindsdien zijn er allerlei wilde speculaties op touw gezet over wanneer en vooral waar die (theoretische, want niet op schrift gestelde) taal werd gesproken, waarbij zelfs het volslagen mythische Atlantis kandidaat was. De laatste decennia zijn de speculaties gelukkig een stuk minder wild en worden ze ijverig onderbouwd door taalkundig en archeologisch onderzoek. Zeer invloedrijk was Archeology and Language van Colin Renfrew de afgelopen twintig jaar, waarin hij Anatolië naar voren schuift als wieg van het Indo-Europees en een direct verband legt met de verspreiding van de landbouw.
Archeologie en historische taalkunde, 477 pp.
Niet in het Nederlands vertaald
In de 18de eeuw ontdekte een Engelse rechter in India tot zijn stomme verbazing dat het 'geciviliseerde' Engels, Latijn en Grieks alle verwant waren met het Sanskriet van de 'primitieve' Indiërs. Inmiddels weten we daardoor dat bijna alle Europese talen en diverse Aziatische ooit allemaal een gemeenschappelijke voorouder gehad moeten hebben, het Indo-Europees. Sindsdien zijn er allerlei wilde speculaties op touw gezet over wanneer en vooral waar die (theoretische, want niet op schrift gestelde) taal werd gesproken, waarbij zelfs het volslagen mythische Atlantis kandidaat was. De laatste decennia zijn de speculaties gelukkig een stuk minder wild en worden ze ijverig onderbouwd door taalkundig en archeologisch onderzoek. Zeer invloedrijk was Archeology and Language van Colin Renfrew de afgelopen twintig jaar, waarin hij Anatolië naar voren schuift als wieg van het Indo-Europees en een direct verband legt met de verspreiding van de landbouw.
zondag 21 september 2008
Een archeologische visie op de Pirenne-these
Geschiedenis/archeologie, 176 pp.
Historicus Henri Pirenne heeft in de jaren twintig een mooi boek geschreven over de opkomst van de steden in de middeleeuwen (klik hier voor mijn bespreking) en hoewel dit boek en later werk over deels hetzelfde onderwerp zeer invloedrijk waren, zijn er toch wat problemen mee. Pirenne baseerde zijn geschiedenis, zoals het een historicus betaamt, op geschreven bronnen. Omdat juist in de vroege middeleeuwen geschreven bronnen zeer schaars en dikwijls onbetrouwbaar zijn, is deze basis een tikje wankel en is Pirenne vaak gedwongen conclusies te trekken gebaseerd op indirect bewijs.
Inmiddels zijn we een heel eind verder en kan het historisch bewijsmateriaal aangevuld worden met archeologische vondsten om de Pirenne-these nader te toetsen. Dat doen Richard Hodges en David Whitehouse in dit boek.
Abonneren op:
Posts (Atom)


