maandag 5 januari 2009

Victoriaanse pastiche vol geheimen, verraad en wraak

Michael Cox,
The Meaning of Night (GB 2006)

Roman, 598 pp.

5 januari 2009



"After killing the red-haired man, I took myself off to Quinn’s for an oyster supper." Dat is nog eens een openingszin: we weten meteen dat we met een (koelbloedige?) moordenaar te maken hebben. En inderdaad, dit boek bestaat uit de bekentenis van Edward Glyver, bibliofiel en kunstliefhebber, die nauwgezet uit de doeken doet waarom hij een willekeurige voorbijganger van het leven heeft beroofd. Het boek speelt rond 1850 en is een Victoriaanse pastiche, waarvan er de laatste jaren heel wat voorbij komen. The Quincunx van Charles Pallisser en The Crimson Petal and the White van Michel Faber behoren wat mij betreft tot de beste voorbeelden van dit genre, maar debutant Michael Cox levert ook een heel behoorlijke bijdrage, alhoewel dit boek zeker niet de literaire kwaliteiten van Fabers roman bezit en ook niet zo gierend unputdownable is als The Quincunx. [noot: wie weet er een goed Nederlands woord voor unputdownable?]

Het verhaal van Edward Glyver wordt gepresenteerd als een manuscript dat op onduidelijke wijze ergens in de universiteitsbibliotheek van Cambridge is opgedoken en dat nu door een zekere J.J. Antrobus, Professor of Post-Authentic Victorian Fiction, van een inleiding en komisch gedetailleerde voetnoten is voorzien. Het begint in november 1854 en door voortdurende uitstapjes terug in het verleden worden steeds meer geheimen onthuld, totdat helder is waarom Edward Glyver wraak wil nemen op zijn vijand, de gevierde dichter Phoebus Daunt. Phoebus heeft hem ooit op buitengewoon gemene wijze verraden, gaat hem de glorieuze erfenis afnemen waarop hij (Edward) recht meent te hebben en nog wat van die dingen.

Edward is een man van extremen: als hij wraak wil nemen, raakt hij er door bezeten en als hij verliefd wordt op een vrouw is hij volledig in haar macht. Hij is aan de ene kant een kenner van de allerverfijndste boekdrukkunst en aan de andere kant iemand die graag vertier zoekt in opiumtenten en bij prostituees. Zelf ziet hij zich als een willoos slachtoffer dat gedreven wordt door het noodlot, waarmee hij elke verantwoordelijkheid voor zijn daden bij voorbaat afwijst. Daarnaast is interessant dat de gehate Phoebus en hij meer op elkaar lijken dan hij zelf door heeft.

Sterke kanten van deze roman zijn de authentieke Victoriaanse sfeer en verteltrant, inclusief het rustige tempo waarop het verhaal zich ontvouwt. Veel personages zijn mooi Dickensiaans neergezet en de details zijn sprekend. Ook het complexe karakter van Edward en de ontwikkeling die hij uiteindelijk doormaakt, geven deze pastiche net dat beetje extra. Jammer is alleen dat Edward tegen het eind een beslissing neemt, die doorslaggevend is voor de plot, maar die ik persoonlijk niet helemaal geloofwaardig vind. Hetzelfde geldt voor het ontstaan van het mysterie waar het boek om draait: een tikje vergezocht en psychologisch niet helemaal overtuigend. Daarom dus uiteindelijk toch geen vier sterren voor dit boek.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen