maandag 20 april 2009

Barokke overdaad

Thomas Rosenboom,
Gewassen vlees (Nl 1994)

Roman, 732 pp.
19 april 2009


Stel je een enorm barok schilderij uit de achttiende eeuw voor: in een weelderig versierde lijst bevindt zich een doek met daarop een grote hoeveeheid door elkaar heen krioelende taferelen met als middelpunt een lange dunne fatterige jongeman. De penseelstreken zijn met verve en grote deskundigheid neergezet. In de wazige verte spelen zich veldslagen af, maar op de voorgrond gaat het er huiselijker aan toe. Een lieftallige jongedame aan het spinet, de crème de la crème van de Friese adel, soirées, soupers, een dorpsherberg, een boerengezin, trouwe bediendes, een trekschuit, maar ook een verwoeste stad, twee paarden die met angstogen in het moeras wegzakken en vreemd genoeg een niet aflatende processie blote konten en drollen. De geur die van het doek afdampt is die van pis, poep en drek, met zo nu en dan een vleugje pommade.

Ziedaar een beeld van Gewassen vlees. Rosenbooms latere roman Publieke werken vond ik een meesterwerk, maar over dit boek heb ik gemengde gevoelens. Het is net als Publieke werken beslist knap geschreven, in een barokke, achttiende-eeuwse stijl die helemaal past bij een boek dat rond 1749 speelt, en met prachtige personages en situaties. Alleen: 732 bladzijden lang in het gezelschap verkeren van de Workumse burgemeesterszoon Willem Augustijn van Donck, met zijn obsessie voor achterwerken en uitwerpselen, was uiteindelijk toch wel een beproeving. Hoe burgertruttig het ook is, ik deel Willem Augustijns obsessie voor derrières en faecaliën in het geheel niet, evenmin als zijn sadomasochistische neigingen.

En toch is er ook wel veel te genieten. Willem Augustijn is een afgestudeerd jurist, die erin geslaagd is 35 jaar oud te worden zonder ooit iets nuttigs gedaan te hebben. Hij is officieel magistraat van het verre vestingstadje Hulst, maar laat het werk voor een paar centen opknappen door een plaatsvervanger. W.A. is er op de een of andere manier ook nooit in geslaagd een dame te huwen, maar dat lijkt nu in ieder geval eindelijk te gaan gebeuren en onder invloed daarvan heeft hij megalomane plannen om zich vanaf nu dienstbaar aan de mensheid (of zoiets) te maken. Totdat er van alles mis gaat en duidelijk wordt dat (a) W.A. een volslagen idioot is en (b) hij hartstochtelijk lijdt onder de kille houding van zijn vader, die hem nog nooit lief gehad heeft, terwijl zijn moeder jong gestorven is.

Intriges en gebeurtenissen volgen elkaar op, zowel in heden als verleden, waarbij de raadselachtige figuur van Bergsma (buurman uit Workum en een wat sinistere mengeling van bon-vivant en weldoener) een steeds prominentere plaats inneemt. Vader Van Donck verfoeit Bergsma, maar W.A. weet niet waarom. De sleutel blijkt te liggen in een gebeurtenis uit de jeugd van Willem Augustijn, toen hij voor zijn twaalfde verjaardag een weesjongen cadeau kreeg (!). Uiteraard wordt het geheim pas op de allerlaatste bladzijden onthuld, waarna er van alles op zijn plaats valt.

Rosenboom kan soms weergaloos schrijven. Is dit niet heel geestig?
(...) zoals de Wederdopers iedere confessie afwezen ten gunste van een onmiddellijke gemeenschap met de Heilige Geest in hun eigen ziel, die bevindelijke salon waarin zij elke dag visite kregen van God, die altijd al een uur van tevoren zat te antichambreren in het zijkamertje van hun vroomheid (...) (p. 82-3)
(Willem Augustijn heeft een - aanvankelijk - onverklaarbare afkeer van Doopsgezinden).
Of neem dit veelzeggende en originele beeld:
'Ik verzoek u weg te gaan.' [zegt de boer die zijn plaats niet kent tegen Willem Augustijn]
Het ernstige gezicht van de boer, roerloos onder zijn neus als een etensbord; 's mans effen stem zonder de minste buiging van een vraag of excuus: Willem Augustijn had het gevoel of een broedend meerkoetje met uitgespreide vlerken hem van haar nest wilde verdrijven, een voor alle verhoudingen blind en uit nestzorg overmoedig geworden moedervogeltje dat hij met een enkele trap kon doodschoppen. (p. 276)
Prima geschreven, maar dat ik dit boek nu ademloos heb uitgelezen.... Nee dus. De barokke rijkdom was voor mij barokke overdaad, de grote hoeveelheid anussen en poep begon me al gauw te vervelen (niet wéér een blote kont) en de figuur van Willem Augustijn met zijn rare neigingen werkte me na een tijdje niet meer op de lach- maar op de irritatiespieren. Dat dit alles vooral een kwestie van persoonlijke smaak is en niet van een objectief literair oordeel, moge duidelijk zijn. Zou ik het boek iemand anders aanraden? Niet zo gauw, denk ik. Ik was blij dat ik het eindelijk uit had, maar aan de andere kant heb ik er ook weer geen spijt van dat ik het gelezen heb. Wat moet je daar nu mee? Drie-en-een-halve ster dan maar?

4 opmerkingen:

  1. knap dat je het boek uitgelezen.......ik ben tot helft gekomen en toen had ik het wel gehad. Publieke Werken heb ik wel in een adem uitgelezen.........

    BeantwoordenVerwijderen
  2. Het was inderdaad een hele kluif. Het is dat Rosenboom zo goed schrijft, anders was ik waarschijnlijk al vóór de helft opgehouden. Gelukkig werd het naar het eind toe wel weer interessanter.

    BeantwoordenVerwijderen
  3. Voor mij is Gewassen Vlees het beste boek van Rosenboom (en ik heb alle romans gelezen, ook Vriend van Verdienste, een minder bekende van hem n.a.v. de 'Baarnse moordzaak'). Van geen enkel boek word je in the end erg vrolijk, maar onderwijl valt er geregeld wat te lachen. Het taalgebruik van Rosenboom vind ik prachtig! De proloog van GW is, met het begin van Enduring Love van Ian McEwan (en een proloog van The Client van John Grisham, sorry), een van de spannendste starts die ik ken.
    Ik moet bekennen dat ik GW in twee keer heb gelezen, de eerste keer kwam ik niet verder dan pagina 100 ofzo. Enkele maanden later heb ik hem toen in één ruk uitgelezen. Verschillende scènes uit het boek staan ´op mijn netvlies´ gebrand.
    Mij heeft vooral de vader-zoon relatie aangesproken. De killie opvoeding, het onderlinge onbegrip, vaders voorkeur voor Breukje (de weesjongen) en de effecten daarvan op gedrag en gemoed van Willem Augustijn. Ik heb ergens een citaat waar Rosenboom WA prachtig laat beschrijven waarom de laatste zo op het uiterlijk is en van binnen een zwart gat gaapt, maar ik kan het niet terugvinden.
    Het einde vond ik, hoe plastisch ook, zeer ontroerend. Waarschijnlijk zouden we in deze tijd WA ontoerekeningsvatbaar verklaren, maar dat maakt hem niet minder mens. De anale samensmelting van WA en Breukje staat symbool voor de plek die de echte zoon zo graag had willen innemen in de ogen van de vader. En dan eindigt de roman, keurig rond, weer op het ijs uit de proloog en komen manke Petrus, de rode kat en Willem Augustijn aan hun einde.

    BeantwoordenVerwijderen
  4. Mooie analyse, Hans. Ik wou dat ik net zo van het boek had kunnen genieten als jij, maar op de een of andere manier wou het niet helemaal klikken tussen mij en WA. Wel ben ik het helemaal met je eens dat het taalgebruik van Rosenboom prachtig is. Ik weet nog dat ik destijds meteen op de eerste pagina van Publieke werken (het eerste boek dat ik van Rosenboom las) bedwelmd werd door de schitterendbeeldende taal. Vergeleken daarbij vond ik de alom bejubelde Mulisch maar erg schamel afsteken. Maar misschien komt dat omdat ik van hem alleen De ontdekking van de hemel heb gelezen. Dat vond ik een redelijk onderhoudend verhaal, maar stilistisch stelde het helemaal niks voor.
    En die prologen van Enduring Love en The Client? Inderdaad heel spannend. Ik kan ze me allebei nog goed herinneren.

    BeantwoordenVerwijderen