zondag 10 mei 2009

Goud uit de modder

John Preston,
The Dig (GB 2007)
Roman, 231 pp.
9 mei 2009


Iedereen weet van de spectaculaire opgraving van het graf van Toetankhamon, maar de even interessante opgraving in het Engelse Sutton Hoo is buiten Engeland nauwelijks bekend, terwijl daar schitterende vondsten werden gedaan, die de geschiedenis van de vroegste middeleeuwen in Noordwest-Europa een heel ander gezicht gaven. Over deze opgraving gaat deze roman, alleen draait het daarbij niet in de eerste plaats om de vondsten, maar vooral over de interacties tussen de mensen die bij de opgraving waren betrokken en, in een diepere laag, over de vluchtigheid van het bestaan.

Preston vertelt het verhaal vanuit verschillende gezichtspunten: dat van de landeigenaar, de weduw Edith Pretty, van de plaatselijke autodidact en opgraver Basil Brown en van de pasgetrouwde jonge archeoloog Peggy Piggott - de tante van de schrijver. De personages worden door middel van korte schetsjes neergezet, met daarnaast hints die de aandachtige lezer allerlei extra's vertellen. Preston suggereert meer dan hij expliciet vertelt, net zoals ook in de onderhuidse spanningen tussen de verschillende archeologen niets hardop wordt gezegd. In de eerste helft van het boek wordt met weinig middelen een tamelijk onopvallende melodielijn uitgezet, in de tweede helft wordt die met fijne, veelzeggende nootjes verder ingevuld en uitgewerkt.

Aanvankelijk is de opgraving een puur lokale aangelegenheid, maar als duidelijk wordt dat hier iets heel bijzonders aan de hand is, duikt er ineens een bazige wetenschapper uit Cambridge op, gaat het British Museum zich ermee bemoeien en wordt het archeologenechtpaar Piggott van huwelijksreis opgetrommeld. Voor wie daar oog voor heeft, is er een lichte komische ondertoon, die een mooi tegenwicht biedt aan de steeds concreter wordende oorlogsdreiging vanuit Duitsland. Sutton Hoo ligt aan de Engelse oostkust, zodat die dreiging één van de redenen is dat Edith Pretty haast wil maken met de opgraving. Als één van de gravers even weg is om naar de radio te luisteren of er nog nieuws is, vertelt Basil Brown:
Will wasn't gone long [...]. He didn't say anything, just looked at me and nodded. Then he picked up his hammer and started banging away. (p. 223-4)
En even later als Basil naar huis fietst, beschrijft hij hoe onderweg een stoppelveld wordt verbrand, en daardoor per ongeluk ook heggen in brand zijn gevlogen:
Rabbits and hares, terrified by the flames, ran across the road. But they were only escaping from one inferno to another. The whole landscape was ablaze. There was no longer any sign of the sun. (p. 226)
Is dit niet een schitterende manier om de lezer te laten weten dat de oorlog is uitgebroken?

Bij de opgraving wordt geen lichaam gevonden, maar dat wil niet zeggen dat het er nooit geweest. Het kan volledig zijn vervaagd, net als op hele oude foto's:
[...] do you know why there aren't any people in photographs of Victorian London? Take a look some time. In early pictures, the streets are completely deserted. Obviously, they weren't deserted. It was just that the plates needed to be exposed for such a long time that people - moving people - didn't register at all. Occasionally, you can see a misty outline, but nothing more. It's a strange thought, isn't it? All these ghostly transparent people making no lasting impression. (p. 193)
Het verband met archeologie zal duidelijk zijn. Ook Edith Pretty wil het verleden tot leven brengen, via een spiritist die probeert met haar overleden man te communiceren. Haar conclusie is somber: "Nothing endured, not in any sphere. There were no voices clamouring to be heard." (p. 213). Maar de schrijver is iets minder somber: op de allerlaatste bladzij heeft hij een hele kleine, hele charmante verrassing voor ons in petto.

Dit is een bescheiden, bijna fluisterende roman. Maar wie, net als sommige van de personages, geduld heeft en bereid is zeer goed te luisteren, zal beloond worden met de zang van de nachtegaal. Of, om een wat meer voor de hand liggende metafoor te gebruiken: uit de modder komt een prachtig delicaat voorwerpje van goud tevoorschijn dat niet alleen grote bewondering maar ook authentieke emotie oproept.


Hier vertelt John Preston hoe hij aan zijn verhaal is gekomen. En voor geïnteresseerden zijn er nog een portret van Edith Pretty en een geweldige foto van Basil Brown.

6 opmerkingen:

  1. Wat een prachtig boek lijkt me dit!

    BeantwoordenVerwijderen
  2. Ik denk dat jij dit boek inderdaad zal kunnen waarderen. Ik begon er met hoge verwachtingen aan, vanwege de juichende recensies in de Engelse kranten, en warempel de verwachtingen werden nog waar gemaakt ook. Nadat ik het uit had, ben ik nog een hele tijd aan het reflecteren geweest, over hoe mooi bepaalde thema's terugkwamen. Vooral de passages over de nachtegaal waren prachtig, maar die moet je wel in contekst lezen, zodat ik ze hier niet geciteerd heb.
    Ik vond het boek zowel emotioneel als intellectueel bevredigend en dat levert 5 sterren op!

    BeantwoordenVerwijderen
  3. eindelijk heb ik het gelezen, onder een parasol aan de Rode Zee nog wel, en wat een schitterend boek. Nogmaals dank voor de tip!

    BeantwoordenVerwijderen
  4. Gelukkig, eindelijk iemand die dit boek ook kan waarderen, zelfs onder een parasol aan de Rode Zee. De krantenrecensies waren allemaal zéér positief, maar verder ben ik het boek nergens tegengekomen, op geen enkel blog.

    BeantwoordenVerwijderen
  5. Hoi Anna, Roald Dahl heeft ook een dun boekje geschreven over "De schat van Mildenhall" met prachtige illustraties van Ralph Steadman. Ik weet niet of dit om dezelfde opgraving gaat. Het gaat in ieder geval over een Romeinse schat die vlak voor de tweede wereldoorlog wordt opgegraven in een klein Engels dorpje.

    BeantwoordenVerwijderen
  6. Erik, deze roman gaat over een Angelsaksische schat uit de vroege middeleeuwen, een periode die mijn speciale belangstelling heeft.
    De kunst van de "barbaren" uit de tijd rond de volksverhuizingen vind ik ongelooflijk fascinerend, en veel mooier dan de klassieke kunst die me nooit op die manier heeft kunnen grijpen. Romeinse schatten zijn dan ook niet echt aan mij besteed, in tegenstelling tot de Angelsaksische vondsten met hun sterk gestileerde diermotieven en die hypnotiserende geometrische motieven. Sommige mensen noemen het warrior bling, maar dat miskent hoe uiterst fijnzinnig deze voorwerpen zijn.

    BeantwoordenVerwijderen