vrijdag 19 december 2008

In een zeilbootje naar IJsland en Spitsbergen

Lord Dufferin,
Letters from High Latitudes (Ier 1856)
Reisverhaal, 252 pp.
19 december 2008


Lord Dufferin zou later niemand minder dan Gouvernor-Generaal van Canada en Onderkoning van India worden, maar in 1856 was hij nog een onbekende jonge aristocraat met een avontuurlijke inslag en een liefde voor het hoge noorden. In de zomer van dat jaar zeilt hij in een schoenertje met een veertienkoppige bemanning af naar IJsland, destijds een niet erg voor de hand liggende toeristische bestemming, met circa 60.000 inwoners, waarvan 800 in Reykjavik. Hij trekt met zijn gezelschap een stukje de binnenlanden in naar de spuitende geysirs en Thingvellir en de enige andere toerist die hij daar ontmoet is Prins Napoleon met zijn gevolg (neefje van wijlen N. Bonaparte). Dat is nog eens wat anders dan op de camping in Frankrijk de groenteboer van om de hoek tegenkomen!

Dufferin is ingenomen met de gastvrijheid van de rijkere IJslanders, die hele drinkgelagen voor hem aan laten rukken, maar bezoekt ook het soort plaggenhut waar het grootste deel van de bevolking in woont. De muren van deze eenkamerwoningen zijn gemaakt van ruwe lavablokken met mos, het dak steunt op walvisbenen en een gat in het dak dient als schoorsteen.

Na IJsland zeilt Dufferin door naar Jan Mayen Eiland en uiteindelijk weet hij zelfs, na een uitgebreide tussenstop in Noorwegen en Lapland, en ondanks het pakijs, met de nodige moeite Spitsbergen te bereiken. Daar treffen ze de resten aan van vroegere Nederlandse walvisvaarders, die door de vrieskou vaak verbluffend goed zijn bewaard.
"I have been told by an eye-witness that in Magdalena Bay there are to be seen even to this day the bodies of men who died upwards of 250 years ago, in such complete preservation that when you pour hot water on the icy coating which encases them you can actually see the unchanged features of the dead through the transparent incrustation." (p. 186/7)
Op de terugweg wordt Noorwegen weer aangedaan en Dufferin verliest zich in zwaar geromantiseerde en geïdealiseerde Vikingverhalen en barst op een gegeven moment zelfs in poëzie uit. Erg vermakelijk zijn de wetenschappelijke speculaties over talen en volkeren. Voor zijn tijd was Dufferin ongetwijfeld zeer belezen en up-to-date, maar duidelijk is dat de taal- en volkenkunde destijds nog erg in de kinderschoenen stond. Zo weet hij te melden dat sommige geleerden menen dat het Laps (waarvan we nu weten dat het een Finoegrische taal is) verwant is met het Keltisch (in de verste verte niet dus) en dat anderen zelfs een verwantschap met de dialecten van "Australische wilden" hebben ontdekt (al helemaal onjuist).

Het boek is vaardig geïllustreerd met tekeningen van Dufferin zelf, zoals deze van zijn zeilboot en deze van een Lapse dame. Hij had ook, heel modern, een uitgebreide camera-uitrusting met gevoelige platen mee, maar van de opnamen is kennelijk helaas niks overgebleven.

Dit relaas was destijds een grote bestseller en is voor Victoriaanse begrippen vlotjes geschreven, maar ik denk dat lezers die weinig 19de-eeuws Engels lezen, het tamelijk taai zullen vinden. Zelf heb ik er beslist het nodige plezier aan beleefd, maar die kitscherige ophemeling van de Vikingen en de zelfgemaakte ballades hadden voor mij niet zo gehoeven.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen