zondag 15 maart 2009

Een opera en het openzetten van de onderwereld

Robertson Davies,
The Lyre of Orpheus (Canada 1988)

Roman, 472 pp.
13 maart 2009


De lier van Orpheus opent de deur van de onderwereld, volgens componist en schrijver E.T.A. Hoffmann, en dat is een riskante bezigheid. In dit derde deel van de Cornish-trilogie zijn zo'n beetje alle personage uit deel 1 weer bijeen om een ambitieus project op stapel te zetten: het completeren en op de planken brengen van een onvoltooide opera van schrijver en componist Hoffmann, die in 1822 overleed. En dat blijkt niet zonder risico's te zijn: de pasgetrouwde Arthur en Maria Cornish, die de onderneming financieren, krijgen er onverwachte huwelijksproblemen door; professor Simon Darcourt voelt zich genoodzaakt op het dievenpad te gaan; en dezelfde professor doet verbazingwekkende ontdekkingen over wijlen Francis Cornish, wiens biografie hij schrijft en wiens geld de opera mogelijk maakt.

Intussen wordt de zaak van een afstandje bekeken door de dode E.T.A. Hoffmann zelf, die al 160 jaar in Limbo verkeert vanwege het onafgemaakte karakter van zijn laatste opera en de gebeurtenissen als een soort Grieks koor van commentaar voorziet. Eén van zijn allermooiste observaties vond ik deze:
What is a Philistine? Oh, some of them are very good people. They are the salt of the earth, but not its pepper. A Philistine is someone who is content to live in a wholly unexplored world. (p. 153)
Tussen de vaak hilarische gebeurtenissen door is dit een thema dat steeds terugkeert: wie is tevreden met een prettig maar voorspelbaar leventje en wie is bereid om risico's te nemen? De schrijver staat duidelijk aan de kant van de risiconemers en laat zien dat alleen zij die zich durven laten meevoeren door het onverwachte ware (levens)kunstenaars zijn.

Het wereldje waarin dit boek zich afspeelt is dat van ruzieënde academici, ambiteuze musici, en ijdele acteurs, met hier en daar een fatsoenlijke bankier (dit is tenslotte fictie), een paar louche zigeuners en allerlei figuranten . De achtergrond is zoals gezegd de reconstructie van een opera uit de vroegromantische periode en Davies maakt hier een vrolijke intellectuele kermis van die je, zo vermoed ik, óf helemaal niet óf juist wel aanspreekt. Zelf behoor ik tot de tweede categorie: het boek heeft me voortdurend doen glimlachen of zelfs grijnzen. Het wordt gelukkig behoed voor kluchterigheid door de gepassioneerde discussies over kunst en wetenschap. De meeste hoofdpersonages zijn uitermate erudiet en net als in het eerste deel worden we getracteerd op een hoop met alcohol overgoten dialogen met serieuze kantjes.

Eén van de personages noemt de onderneming om de opera te reconstrueren "a great adventure, a Quest for something a man longed for but did not achieve." (p. 131) En niet voor niets gaat Hoffmanns vernieuwende opera over koning Arthur en zijn queeste naar grootmoedigheid; en niet voor niets heet één van de hoofdfiguren, de fatsoenlijke bankier, Arthur. Simon Darcourt noemt deze queeste elders "het vinden van je ziel" en is van mening dat mensen hun ziel op allerlei manieren kunnen vinden (p. 380), in het huwelijk, in het vervalsen van schilderijen of in het schrijven van een biografie.

Daarmee is dit opgewekte boek een aanstekelijk pleidooi voor nieuwsgierigheid, ontdekkingsdrift en het nemen van risico's - artistieke en andere. Iedereen mag dat op zijn eigen manier doen: Arthur door het steken van heel veel geld in een onzekere operaproductie, Simon door het blijven spitten in het leven van Francis Cornish, en de waanzinnig aantrekkelijke acteur Geraint door van de planken te verdwijnen en operaregisseur te worden. En E.T.A. Hoffmann? Die ziet zijn opera voltooid en mag vanuit Limbo eindelijk door naar de Onderwereld.

De twee eerdere delen van de trilogie zijn The Rebel Angels en What's Bred in the Bone.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen