zondag 15 augustus 1999

India: kloosters en bergtoppen in Ladakh

Ladakh heeft veel zon en weinig regen. Toch zou ik iedereen die op zoek is naar een lieflijk oord met wuivende palmen en gezellige terrasjes afraden om naar Ladakh te gaan. Ondanks de schaarse regen en de vele zonuren (aanbevelingen voor de gemiddelde toerist) is het niet echt geschikt voor een relaxed weekje er tussenuit. Dit Himalayagebied, in een uithoek van Noordwest- India, ligt vrijwel in zijn geheel boven de 3.500 meter, zodat je in principe permanent in ademnood verkeert. De bergen zijn hoog en spectaculair, maar ook kaal en onverbiddelijk. Echter, iedereen die houdt van minimalistische landschappen, ongerepte natuur en een zeer intrigerende cultuur, en die bovendien over een uitstekende conditie beschikt, moet onmiddellijk zijn of haar rugzak pakken. Reisgegevens

Periode:  juli-augustus 1999
Soort reis:  georganiseerde wandeltrektocht met bagagevervoer door paarden
Organisatie:  SNP
Accommodatie: hotel in Leh en Delhi; verder kamperen in de vrije natuur
Bezocht: Leh, Shey, kloosters van Tikse & Alchi &  Hemis, Markha Vallei (Zhingchen, Ganda-La, Kaya, Chalak, Hankar, Nimaling), New Delhi, Agra
Weer: in Ladakh droog, overdag prettige temperatuur, 's nachts in de bergen koud (sneeuwbui); in Delhi en Agra erg warm met moessonregens

Het dorp Markha (gelegen aan het gelijknamige riviertje), met bloeiend mosterdveld.

Straatje in Markha
Het laatste Shangri-la 

Ladakh wordt ook wel het laatste Shangri-la genoemd, naar het paradijselijke oord hoog in de bergen en ver van de verdorven westerse wereld uit het gelijknamige boek van James Hill. Dat gaat een beetje te ver: de eenentwintigste eeuw is inmiddels ook in Ladakh doorgedrongen. Toch had ik toen ik uit het vliegtuigje stapte, dat ons van Delhi naar Leh (de hoofdstad van Ladakh) bracht, het idee dat ik op een andere planeet was geland en niet "gewoon" ergens in Azië... Het eerste wat opviel was het licht: hoewel het een bewolkte dag was, greep ik meteen naar mijn zonnebril, zo fel was het. De bergen rondom het vliegveldje zijn zo'n beetje de kaalste, grijste van het hele gebied en ook dat droeg bij aan de vreemde sfeer. Toen kwam de cultuurschok. Ten eerste waren de 'zuilen' in het eenvoudige, maar redelijk moderne luchthaventje beschilderd met de dezelfde bonte, krullerige patronen als ik later in de boeddhistische kloosters zou zien. Het meest bijzonder waren echter de mensen: dit leek in niets op het India dat iedereen van film en tv kent. De mensen waren beduidend kleiner dan ik (en ik ben 1,58 m.!), hadden Mongoolse gezichten en droegen dikke, donkere wollen mantels, net als in Tibet, soms met felgekleurde sjerpen en zware zilveren sieraden (zie hieronder).

Ladakhse vrouwen in hun dagelijkse kledij: bruine wollen kimonoachtige
gewaden, liefst versierd met mooie grote sieraden.
Overal kloosters

Wat flink bijdroeg aan de cultuurschok is dat in Ladakh, net als in Tibet alles is doordrongen van het Boeddhisme. Je vindt bij wijze van spreken op elke straathoek een enorme gebedsmolen, langs elke bergpad gebedsmuren, op elke bergpas gebedvlaggetjes en op elke bergtop een klooster. Hemis (zie foto hieronder) is het grootste en rijkste klooster van Ladakh. Toen wij er waren begon er net een dienst voor de abt, die dat jaar in een ongeluksjaar in zijn twaalfjarige levenscyclus zat. Monniken, nonnen en de plaatselijke bevolking baden, zongen en prevelden mantra's om te voorkomen dat hem in dit riskante jaar iets slechts zou overkomen. Dergelijke diensten kunnen dagen duren en zijn naar onze begrippen erg informeel van sfeer. Iedereen loopt in en uit, de jonge monnikjes giebelen en kletsen onder elkaar. Er is ook muziek, die voor ons moeilijk als zodanig te herkennen is. De muziek wordt gemaakt met slag- en blaasinstrumenten. In het begin klinkt het als pure kakofonie, maar na een tijdje ontdek je toch wel een zekere structuur, die trouwens eerder ritmisch dan melodisch van aard is.

Jonge monniken in het klooster van Hemis
Edelweiss en blauwschapen

Lang niet alles in het Ladakhse landschap is kaal en onherbergzaam. Zelfs op 4.500 meter wordt nog weelderig groene gerst en prachtig geel bloeiend mosterdzaad verbouwd. En langs de rivieren (in ons geval de Indus en het riviertje de Markha) groeien allerlei bomen en struiken, zoals de tamarisk, met zijn roze pluimen. Er zijn zelfs bergweiden met edelweiss. Ook qua fauna valt er het nodige te beleven. Er wonen nog sneeuwluipaarden in dit gebied, maar die hebben we natuurlijk niet gezien, hoewel het waarschijnlijk is dat wij omgekeerd wel gesignaleerd zijn door deze prachtige katten. Wat we wel ontwaard hebben zijn blauwschapen (een in het wild levende grazer, die ergens tussen een geit en een schaap in zit - een scheit dus), hele grappige marmotten, yaks en diverse vogels, zoals de gele kwikstaart, de hop, de steenarend en allerlei leuke vogeltjes waarvan ik de naam niet onthouden heb.
Fraai plekje in de buurt van Shey, in het groene Indusdal
Thee onder een parachute

De horeca onderweg in de bergen is een verhaal apart. Veel toeristische infrastructuur is er niet (wegen zijn zelfs geheel afwezig), maar op elke dagmars kom je wel een ondernemende Ladakhi tegen, die van een parachute uit de dumpzaak een tent heeft gemaakt en daar thee, diverse biscuitjes en blikjes cola verkoopt. Op de foto hieronder zie je een wat uitgebreidere versie van zo'n parachute-tent. Deze heeft zowaar stenen muurtjes, maar staat dan ook in de bewoonde wereld, vlakbij het plaatsje Hemis.

Het zo te zien niet erg vermaarde Parachute Restaurant bij Hemis

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen